Stichting Rijnenburgermolen hazerswoude

Eigenlijk moet je over een molen niet ingewikkeld doen. Het is gewoon een machine in een behuizing die meer is bepaald door functionaliteit dan gevoel voor design. Hij moest draaien op de wind, energie veroorzaken waarmee goed gewerkt kon worden. En als er ook nog een molenaar met zijn gezin in moest wonen, dan werd daar met een beetje moeite ook nog een plekje voor gevonden.

Pas veel later, na 1900, toen de meeste Nederlandse molens waren afgedankt en gesloopt, kwam sentiment een deuntje meespelen. "Ach, wat leuk: een molen! Die zie je niet zoveel meer. Onvoorstelbaar dat daar mensen in hebben gewoond. En gewerkt natuurlijk. Maar dan moest er wel wind zijn, anders draaiden de wieken niet." 

In gedachten zien we dan een tevreden molenaar, met een pijpje, die naar de wolken kijkt om het weer te voorspellen. Zijn vrouw lacht vol vertrouwen naar haar flinke kerel op zijn gele klompen. Met zo'n man wil je wel zes, acht of tien kinderen. Die ook allemaal trots zijn op hun vader, die zo'n mooi ambacht heeft.

De waarheid is heel wat minder romantisch. Molenaar zijn was een onmogelijk zwaar beroep. Afhankelijk van het weer en onder druk van het polderbestuur moest hij zoveel uren maken, dat het eigenlijk een wonder is dat er zoveel kinderen kwamen. Om die te kunnen voeden, kleden en onderwijs te geven, moest de molenaar er nog ander werk naast doen. Bijvoorbeeld als melker, lichtopsteker en dorpsomroeper.

Samen met zijn echtgenote kweekte hij wat groenten en aardappels op een tuintje naast de molen. Op zijn oude, ongeverfde klompen en in zijn al vaak opgelapte broek en buis. Want molenaar zijn was armoe en het was nog gevaarlijk bovendien. Molenaars werden vaak ziek of ze kregen een ongeluk. Ze waren niet verzekerd en kregen geen pensioen. Ach, ze werden toch niet oud.

Maar wel mooi hè, zo'n molen.